Tussen hemel en aarde - 04/07/2020

Ik denk graag dat ik stevig in mijn schoenen sta. Wie mijn schoenencollectie kent weet dat dit geen evidentie is, ik laat me nu eenmaal zelden verleiden door makkelijk zittende stappers.
Maar kom, ik bedoel dit natuurlijk in de figuurlijke zin. Dan zie ik mezelf als een rationele vrouw, zo eentje die kritisch nadenkt over de dingen en logische verklaringen zoekt. Ik heb het niet zo begrepen op al dat zweverige gedoe. Ik kan wel ontroerd worden door natuurlijke fenomenen, zonsondergangen en volle manen en zo, maar ik heb nog nooit een boodschap in de wolken gelezen. En een sterretje aan de hemel blijft gewoon een sterretje. Het is zoals met die krachten van stenen en mineralen: enkel van invloed als er eentje in mijn schoen zit.

"En wat dan met al die dingen tussen hemel en aarde die we niet kunnen verklaren?" zegt een vriendin die in alles wat haar pad kruist wel een teken ziet. Als er per ongeluk een wit donsveertje neerdwarrelt weet zij dat er een engel is gepasseerd.

"Daar komen we vroeg of laat ook het fijne wel van te weten," zeg ik. Het is zoals met donder en bliksem, wij hebben geen dondergod meer nodig, we weten intussen wel waar het geroffel vandaan komt.
"Alleen die oerknal," zeg ik, "daar ben ik nog niet uit. Wie zou daar ooit op het knopje gedrukt hebben?"
Dat blijft toch een moeilijke. Uitvissen hoe het begin van alles is begonnen.
"Maar wie weet, misschien wordt dat ook nog achterhaald," draaf ik verder door, "en schuilt daar een eenvoudige formule achter en zeggen mensen dan op een mooie dag: ha, zo zit dat!"

En toch, en toch…heel af en toe vlieg ik wel eens uit de bocht. En heb ik meer ontzag voor hogere machten dan ik wil geloven. Het zijn de momenten van godvrezende schietgebedjes, tegen beter weten in. Als ik handenwringend zit te wachten tot ik eindelijk mag bellen voor de uitslag van de scan die mijn moeder liet nemen. Of, deze week nog, als ik stipt om middernacht nog een berichtje krijg van een onwaarschijnlijk moedige vriendin.
"Proficiat met de verjaardag van onze dochters, " stuurt ze.
De tranen schieten me los in de ogen, want onze dochters zijn wel samen jarig, alleen, de hare is niet meer…Ik kan me zelfs niet voorstellen hoe gruwelijk leeg dat moet voelen. Het wordt zo'n rusteloze nacht waarin ik mezelf betrap op iets dat op bidden moet lijken. Een verloren ziel die een bijna vergeten weesgegroetje prevelt om mogelijk onheil te bezweren.

Het begin van de zomer brengt me hoe dan ook altijd even uit m'n nuchtere evenwicht. Het zijn die dagen dat de eerste zonnebloemen opduiken en die blijven onlosmakelijk verbonden met het afscheid van een hartsvriendin, het waren haar lievelingsbloemen. Meestal haal ik dan wel een boeketje in huis, bij wijze van troost. Maar dit jaar zie ik haar bloemen nergens. Of blijken ze net uitverkocht als ik in de Colruyt kom.

"Geef me eens een teken van leven," zeg ik nogal onnozel, terwijl ik naar boven kijk. Maar het blijft muisstil. Of nee, toch niet. Want plots hoor ik nog die dag tot twee maal toe Dire Straits op de radio passeren. Mark Knopfler met Brothers in Arms en een paar uur later Romeo en Juliet. Liedjes die zij feilloos mee zong, in haar vlekkeloos Engels.
"Het zijn wel geen bloemen, maar het is een begin," knipoog ik omhoog.
Maar 's anderendaags dient ze mij van antwoord. Als ik- in Rillaar, godbetert, de plaats waar het de allerlaatste keer afspraken- een maisveld passeer zie ik aan de rand daarvan één verloren zonnebloem staan. Net open, het kopje naar de zon gericht. Ik rijd er diezelfde dag nog eens heel langzaam voorbij.
" Zo, daar ben je dan," zeg ik nog eens naar ginder hoog in de lucht.

Allemaal tegen beter weten in. Want weg zijn zoals zij weg is, is vermoedelijk helemaal weg, voor altijd. En de wind voert een bloem wel eens naar het foute veld. Meer moet ik hier niet achter zoeken.

Maar stil verdriet durf ik wel eens te zalven met voorzichtig bijgeloof.
Of om heel eerlijk te zijn: als niks anders helpt, geloof ik eigenlijk alles.

Reageer via    






De kroon - 08/08/2020

Soms verkoop ik wijsheden die ik zelf ook maar ergens lukraak bijeen gescharreld heb. Zo doe ik nog eens behoorlijk overtuigend een uitspraak over het mosselseizoen.
"Bereid je ze wel eens zelf?" vraagt mijn vriendin, we zitten samen van een potje mosselen te genieten in een knus restaurantje in De Panne.
"Ja, maar meestal ergens eind augustus, begin september," zeg ik, "dan zijn ze op hun best."
" Dat jij zo'n dingen wéét!," zegt ze.

Terwijl ik het ook maar heb van horen zeggen. Ooit ongegeneerd zitten luistervinken op de bus, naar een geanimeerde dialoog tussen twee vrouwen en die ene zei toen, heel erg zeker van zichzelf: "Een paar weken na Scherpenheuvel kermis, dàn heb je de lekkerste mosselen." Zo'n uitspraak die ik dan zorgvuldig opsla in mijn geheugen, want vooral op culinair vlak kan dat wel wat hulp gebruiken. Ik ben zo iemand die - na 99 min of meer geslaagde omeletten- de honderdste keer toch nog eens gaat piepen in een kookboek of je nu moet roeren in die pan of de boel ook ongemoeid mag laten stollen. Maar goed, als ik mosselen serveer in augustus ga ik er tenminste toch al van uit dat de kwaliteit uitmuntend zal zijn. Het zijn zekerheden die zorgen voor wat orde en rust in mijn soms vertwijfelde dagen.

Dancing De Kroon, nog zo'n baken in mijn bestaan. Niet dat ik er ooit veel tijd gespendeerd heb, want de muziekkeuze aldaar was niet echt m'n ding. Ze draaiden er volgens mij hoe dan ook zelden of nooit dEUS en wie mij wel eens zag dansen weet dat ik maar best wat onbestemd kan bewegen op iets met licht verstoord ritme. Het was vooral op verplaatsing dat ik mij dikwijls bewust werd van de vaste waarde van De Kroon. Daar, buiten de vertrouwde stadsgrenzen, werd mij, als rasechte Scherpenheuvelse, regelmatig gevraagd: "Hoe is het nog in De Kroon?". Of de naam werd ook wel eens gebruikt in - laat ons wel wezen- minder geslaagde openingszinnen als "Ken ik jou niet van in De Kroon?".
Zelf gebruikte ik De Kroon voornamelijk als wegwijzer, vooral dan in prehistorische tijden, nog voor de Tom Tom zijn intrede deed. Toen kon je aan verre bezoekers nog zeggen: en dan heb je rechts De Kroon en een eindje verder de rode lichten en dan zie je ook meteen recht voor je de Basiliek. Een routebeschrijving die ik ook eens meegaf aan een Brusselse collega.
"Les feux rouges," vroeg ze verwonderd, "de welke dan?". Ik heb toen inderdaad nederig moeten toelichten dat wij in ons lieflijke Scherpenheuvel slechts over één kruispunt met verkeerslichten beschikken. Het was meteen ook de eerste keer dat ik een Brusselse het bijna snikkend in haar broek zag doen, zo aandoenlijk kleinschalig vond ze ons.

Maar nu lees ik plots op social media dat dancing De Kroon definitief de deuren sluit. Of beter gezegd: niet meer zal open gaan, na de maandenlange sluiting wegens Corona. Terwijl ik het etablissement al halvelings beschouwde als cultureel erfgoed. Weg wegwijzer.

Een dag later verneem ik dat ook onze kermis niet doorgaat dit jaar, wegens te veel gevaar op besmetting. Begrijpelijk, maar toe maar, ook dat nog!
Ik word er een beetje weemoedig van. Al die vaste waarden waar schaamteloos wordt aan geknabbeld, ik word er niet bepaald happy van. Maar de meeste zekerheden zijn hoe dan ook nep, lees ik nog diezelfde avond voor het slapengaan, in zo'n belerend zelfhulpboek. Ze geven ons enkel een vals gevoel van controle. Want de wereld staat nooit stil. Die draait en draait en draait. Het is altijd ergens dag of nacht, nooit zomaar niks. En niets wat altijd is geweest zal ook voor altijd blijven. Je moet leren loslaten, staat er nog. De dingen nemen zoals ze komen en springen.

Ik overweeg die raad misschien maar eens ter harte te nemen. En besluit: volgende zondag zet ik een grote pot mosselen op tafel. Naar alle waarschijnlijkheid een dikke maand te vroeg, maar het zij zo, nu zelfs de kermis ontbreekt als richtlijn. Mosselen dus, en, méér zelfs: ik nodig een paar dapperen uit en tover zomaar los uit de pols een nieuw recept.
Nog niet de grootste sprong, maar toch een begin.

Nè. En nu gij. Reageer via    






1976 - 08/08/2020

Hittegolf, code rood én het coronavirus: wie verkoeling zoekt moet dezer dagen al redelijk inventief uit de hoek komen. En laat het mij nu uitgerekend vandaag aan elke vorm van inspiratie ontbreken. Veel meer dan een boekje lezen of wat suf zitten te schrijven weet ik niet te bedenken. Bezigheden waar ik op andere dagen toch reikhalzend naar uitkijk, want dikwijls ontbreekt me de tijd. Dan moet ik, zelfs op vrije dagen, eerst nog vele levensnoodzakelijke dingen doen, voor ik me lam in de zetel kan leggen. Nog een wasje draaien en strijken en soep koken en kip gaan kopen op de zaterdagmarkt, afin, ik noem maar wat. Allemaal dingen die nu ten zeerste worden afgeraden, de algemene teneur luidt: zoveel mogelijk in je kot en bubbel blijven en zo weinig mogelijk doen. 't Is dus in feite van moetens nu, dat niks doen, en dan is het opeens niet meer zo plezant.
Ik ben ook nooit deftig voorbereid op dit soort noodtoestanden. Want na al die klimaatmarsen zou je toch denken dat elk weldenkend mens op z'n minst voorzien is van een klein plekje schaduw buitenshuis, maar nee, ik kom tot de conclusie dat mijn terras nog steeds volledig - volledig!- zonovergoten is. Dat ik hier intussen dus al tien jaar woon en te lam was om eens een deftige parasol te kopen. Goed wetende dat het hier op aarde alsmaar warmer gaat worden.
Hetzelfde met beschikbaar leesvoer: alle tijdschriften werden al in recordtempo gelezen en in 'De zonnekoning' zit ik intussen aan het voorlaatste hoofdstuk. Een lijvig boek dat ik te leen kreeg van een collega, ideale lectuur voor lome uren tijdens een hittegolf, maar ik heb er dan weer, volkomen tegendraads, een paar koelere nachten aan gespendeerd. Dom, dom, dom, ik was er beter wat zuiniger mee omgesprongen. En nu is de bib natuurlijk al dicht.
Ik hoed me ook een beetje voor facebook, op dagen als deze. Waarschijnlijk wordt er in alle toonaarden gezeurd over de ondraaglijke warmte. Of erger nog: duiken er overal foto's op van mensen die een ijsgekoeld drankje nuttigen, ergens op een overschaduwd terras. En hoe het met mijn terras gesteld is weten jullie intussen en ijsblokjes heb ik niet voorhanden. Terwijl ik toch dacht dat ik tijdens een vorige hittegolf eens zo'n paar grappige vormpjes had ingevroren…
Het goede nieuws is dan weer dat ik alles wat te maken heeft met extreme temperaturen zeer snel dreig te vergeten. Het is enkel omdat -zelfs in de media- heel dikwijls verwezen wordt naar de memorabele hittegolf van 1976 dat ik weet dat ze bestond. Terwijl ik daar toch bij was, al redelijk bij zinnen zelfs. Ik kan nog wel één en ander navertellen over die zomer, maar of het toen echt zo extreem warm was?
" Volgens mij waren we toen op vakantie in Italië, " zegt mijn vader.
Ik denk dat hij gelijk heeft. Eén van onze vele kampeervakanties in het zuiden. Waar je tenslotte niet anders verwachtte dan tropische toestanden. Waar je veel geluk had met het weer als je lag te zweten onder het tentzeil.
En dat werpt dan weer een ander licht op mijn verveeld gevoel vandaag: we moeten in elk geval niet naar Spanje voor een streepje zon.

Reageer via    






Niels - 14/08/2020

Mijn job vergt enige flexibiliteit, dus ik vreet dagelijks wel wat kilometers. Dan doorkruis ik rustig in mijn eentje ons Hageland of de schone stille Kempen, altijd maar op weg naar ergens anders. De E313 en de Antwerpse ring deel ik dan meestal weer met een stoet andere lotgenoten, de ene al wat minder rustig dan de andere, er heerst wel eens wat onderlinge wrevel als we, soms kris kras en als een nest ongeduldige mieren, staan aan te schuiven richting Kennedy Tunnel.
Overigens, toen ik laatst ook effectief die Kennedy tunnel door moest (meestal ontsnap ik al een paar afritten eerder aan de complete chaos) was ik toch lichtjes verbaasd. Dat is dus echt een tunneltje van niks, twee keer met je ogen pinken, zelfs in een doorsneefile, en je bent hem in de volledige lengte gepasseerd. Waarschijnlijk ben ik daar ook al eerder geweest, mij van geen kwaad bewust. 590 meter overkoepeld, las ik nog diezelfde avond op Wikipedia, want ik wil dan toch wel weten of ik al helemaal bij de wakkeren was die ochtend. Want dat overkomt me wel vaker, dat ik zo halvelings wegdroom bij grotere afstanden. Dan ben ik op weg naar bijvoorbeeld Westmalle, toch ook niet vlak bij de deur, en dan stel ik opeens vast: o, kijk, ik ben er al.
Maar ik had dus een fout beeld van die tunnel. Tenslotte wel genoemd naar niet zomaar de eerste de beste president én dan ook nog eens dagelijks in het nieuws. Er gaat geen dag voorbij of je wordt gewaarschuwd: ochtendspits met vertragingen ter hoogte van de Kennedy Tunnel, Kennedy Tunnel afgesloten wegens water overlast, vermijd de ruime omgeving van de Kennedy Tunnel…Tja, dan slaat mijn verbeelding op hol, dan stel ik me bij zo'n constructie toch iets voor dat op z'n minst de afmetingen heeft van de Mont Blanctunnel. Want dat is wel andere koek! Ik heb hem als jong meisje, met mijn vader nog aan het stuur van onze tweedehandse, lichtblauwe Viva Vauxhall, een paar keer mogen ervaren en dat was echt kilometers ver door een tunnelbuis met amper twee rijstroken tuffen. Dan dacht je toch, misschien niet meteen luidop want mijn vader had het al nooit begrepen op bange watjes: als we hier maar heelhuids uitkomen.
Ik vertel het aan een collega met wie ik de laatste weken nu wel eens gemaskerd carpool. Dat we toch dikwijls al een vastomlijnde gedachte hebben, zonder dat we ook écht weten waarover het gaat. We hebben het van horen zeggen of we meenden toch te denken dat. Met dan misschien ook op termijn een zeer enge tunnelvisie als gevolg. Ja, hij en ik durven wel eens te filosoferen op weg naar het werk.
Maar vervolgens gaan we over naar de orde van de dag: luisteren naar het ochtendnieuws en daarna nog eens voor de honderdste keer Niels Destadsbader op MNM. Of was het Debadssteder? Debadstader? We kunnen het niet onthouden. En we vinden zijn muziek maar niks. Collega en ik zijn ooit eens, totaal onverwacht, zij aan zij op de eerste rij beland bij een optreden van Editors, dus dat verklaart wel één en ander.
"Misschien is dat met muziek wel net hetzelfde als met die tunnel, zegt hij," onbekend is onbemind. Misschien moeten we eens beginnen met wat aandachtiger te luisteren naar die Niels.
Wat we vervolgens ook werkelijk een aantal dagen dapper volhouden, de jongen is hoe dan ook niet weg te branden op die zender. We kennen intussen al behoorlijk wat teksten uit het hoofd, echt aartsmoeilijk kan je ze tenslotte niet noemen: 'wij-ij-ij-ij ' of ' ga je met me mee naar boven, oh oh oh oh oh oh oven, dat laatste x2'. We zingen al snel overtuigd mee. En we rijmen en dichten heel overmoedig ook zelf een paar lyrics bijeen, stijl Destadsbader, intussen twijfelen we toch al niet meer over zijn naam.
Van Editors naar Niels, we wijzigen serieus van koers. En niet dat we zijn volledig oeuvre nu meteen gaan downloaden, maar Niels zorgt in elk geval voor de nodige ambiance in de auto.
"Misschien moeten we af en toe gewoon van het uitgestippelde pad", zeg ik, "al dwalend komt een mens wel eens wat tegen. Moeten we de dingen ook anders durven zien of horen. Of uitvlooien hoe iets écht in mekaar zit."
'Egidius waer bestu bleven,' mijmert mijn collega, zomaar uit het niets en met dat dwalen in het achterhoofd.
En daarmee overdondert hij me nog meer dan Niels al deed! Dat een kerel van 25 zomaar, los uit de pols, een middeleeuws klaaglied citeert!
Terwijl ik ook weer dacht dat de jeugd niet meer leest…
"Dat van dat uitvlooien gaat ook op voor mensen," zegt mijn collega droogjes, "je wil niet weten wat ik wel eens over jou heb gedacht."
Wat wel vaker voorkomt, vermoed ik. Dat mensen inderdaad ook wel eens rare dingen denken over mij. Over wat ik doe of denk of misschien wel verondersteld word wel of net niet te doen. Zo van ze zal wel zus of ze zal wel zo en van zo iemand kan je toch niet anders verwachten. Misschien wel scheve gedachten, allemaal verzonnen over zo'n doordeweekse sok als ik.
En dan heb ik nog niet eens een kleurtje.
Reageer via    






Letters - 27/08/2020

'Wie schrijft, die blijft' zegt men wel eens, maar daar ben ik niet zo zeker van.

Je moet al met pakkende, tijdloze woorden voor de dag komen wil je over pakweg vijftig jaar nog gelezen worden.

Maar laat het een troost zijn: wie schrijft blijft in elk geval bezig.

Vooral als je, net als ik, zo'n beetje op alle fronten tegelijk zit te prutsen.

Met af en toe een blogje of tekstjes op verzoek. En op de werkvloer ben ik meestal de Chinese vrijwilliger die de vacatures mag uitschrijven. En dat zijn er veel. Of ik moet dingen nalezen en dan links en rechts wat schrappen of bijschaven, alsof ik het allemaal beter weet.
Voor alle duidelijkheid: ik doe dat dus graag. Ik mag scrabbelend door de dagen, spelend met letters, en ik moet niet eens winnen. Als je mij vraagt naar de geweldigste uitvinding sinds het bestaan der mensheid zeg ik, zonder aarzelen: het alfabet. Als je bedenkt hoeveel gedachten kunnen geformuleerd worden dankzij de eindeloze combinaties met amper 26 tekens, dat is gewoon niet te bevatten! Ik betwijfel zelfs of dat statistisch kan berekend worden.
Het gebeurt wel eens dat ik, aan het eind van de dag, door een overvloed aan letters en beeldscherm, sterretjes zie. Letterlijk zelfs. Een soort van oogmigraine, gelukkig niet pijnlijk en verder ook volstrekt ongevaarlijk, maar wel een duidelijk signaal: nu is het echt wel genoeg geweest. Dan klap ik noodgedwongen alles dicht en wordt het helaas ook zo'n avond zonder verhaaltje voor het slapen gaan. De stapel leesvoer op mijn nachtkastje mag voor één keer doelloos stof vergaren. Want dat schijnt ook waar te zijn: wie schrijft leest blijkbaar ook graag veel.
Die sterretjes zijn in elk geval een zeer slim signaaltje van Moeder Natuur, want een mens kent dikwijls zijn limieten niet. Dan blijft een gedwongen druk op de pauzeknop nog de enige optie, hoe vervelend ook. Maar in normale doen ben ik dus redelijk productief en heb ik graag dat de dingen vooruit gaan, ook schrijfsgewijs.
Met uitzondering dan van boek 3. Want tussen alle bedrijven door probeer ik dus ook nog een boek te schrijven, het vervolg van gODDELOOS gedoe en Meisjes van Porselein. De definitieve afsluiter van het hele verhaal. Dat heb ik de uitgever en een paar nieuwsgierige lezers en vooral mezelf beloofd: nog één laatste deel en daarna is het tijd voor iets anders.
En net daar wringt het schoentje: ik heb het moeilijk met dat einde. Afscheid nemen van de personages, de ene al iets meer verzonnen dan de andere, het is pijnlijker dan ik ooit had kunnen vermoeden. Want ze zijn me intussen zo vertrouwd, ze zitten een beetje onder mijn vel. Ze gaan en staan waar ik wil. En ik kan ze dingen laten doen en voelen waarvan we in het echte leven denken: kom, doe eens even normaal! Of ik laat ze lelijke woorden naar elkaar roepen en 's anderendaags is alles weer koek en ei, zomaar. Zo'n parallel wereldje in je achterhoofd, ik kan het eigenlijk iedereen aanbevelen. Je kan er af en toe eens naartoe, ongemerkt zelfs, het is niet ver en je hebt de touwtjes volledig in handen. Je kan er doen en laten wat je maar wil. Een soort van dichtbij vakantie à la carte.
Maar die speeltuin definitief afronden, ik stel het steeds weer uit. Ik heb trouwens al drie scenario's klaar, dus het wordt nog moeilijk kiezen ook. Dan denk ik: toch maar liever zus en even later denk ik dan weer liever zo. Dat einde verzinnen is honderd keer moeilijker dan- dat was ergens in 2015 dacht ik- de allereerste woorden neerschrijven.
Maar die kwamen dan ook niet van mij, dat was een citaat van Tom Barman. Ik zie me ook nog bibberend dat mailtje tikken naar de man:
'Beste meneer Barman, ik schreef een roman en je lyrics hebben me wel geïnspireerd. Je personage zit zelfs een beetje verweven in het verhaal. Mag ik misschien ook enkele van je teksten citeren?'
Want zonder toestemming doe je zoiets blijkbaar niet ongestraft in de boekenwereld, althans niet voor commerciële doeleinden. En ja, dat was even bibberen toen, erger dan bij mijn eerste brief naar Sinterklaas. Maar het was ook dansen van vreugde toen- na nog wat heen-en weer mailen over hoe en wat en waarover gaat het dan precies- ik uiteindelijk het fiat kreeg. Met welgemeende succeswensen er bovenop. In een vriendelijk bericht van zijn manager, want ik vermoed dat rockgoden zich niet persoonlijk bezig houden met dit soort banaliteiten. Maar goed, ik kwam toch al dicht in de buurt, misschien heeft Tom uiteindelijk wel, al lichtjes verveeld, gezegd: och, geef dat schaap haar zin.
Toevallig las ik die beginwoorden (*) vandaag nog eens:
Stay by my side, it's sexy
the way that we talk about stuff
the way that we laugh with love
the way that we're falling off*

En zomaar opeens wist ik het zeker: ik ga het allerlaatste hoofdstuk gewoon afsluiten met diezelfde woorden. Met de woorden van Barman. Want die zijn dus wel pakkend. En tijdloos.
* Uit ' The ideal crash', 1999, 3de album van dEUS

Reageer via    






Staycation - 03/09/2020

Er is een eerste keer voor alles. Dus ook voor een weloverwogen staycation. Want er waren wel meer zomers dat ik het Thuysadres niet verliet, maar dat had dan meestal te maken met onvoorziene omstandigheden. Lees: een krap budget. Dan was het gewoon een kwestie van de reismicrobe tijdelijk te verdoven en wachten op betere tijden. Maar dit jaar ging het anders. Mijn buitenlandse reis was zelfs, zeer tegen mijn gewoonte in, al maanden op voorhand geboekt. Om al vrij snel weer uitgesteld te worden naar volgend jaar, omwille van ongunstig reisadvies. Bootje varen tussen de Noorse Fjorden zat er dus voorlopig niet in, maar uitstel is geen afstel, dus die trip heb ik in elk geval nog te goed.
Maar dit vroeg dus om reorganisatie. Ik overwoog nog even iets in een buurland dichterbij, maar toen ze ons met kleurcodes en verplichte quarantaines rond de oren begonnen te slaan hield ik dat ook maar voor bekeken. Bovendien werd staycation zelden zo gepromoot als dit jaar, ik meen zelfs voor 2020 nog nooit van dat woord gehoord te hebben. En terwijl ik het woord nu zit te tikken: het wordt ook effectief nog niet herkend door de autocorrectie.
Maar opeens circuleerde het begrip overal, en draaide het zelfs niet langer om het gevaar van Corona, maar bleek ook niks zo leuk als vakantie in eigen land. Op promotiefilmpjes zag je mensen hoog tussen Limburgse bomen fietsen en Matteo Simoni lag thuis te komen boven op het dek van zo'n gezellige binnenvaartschuit. Er werd wel niet vermeld op welk kanaal precies en met hoeveel mensen je dan wel aan boord kon in besmettelijke tijden.
Maar goed, de algemene boodschap was: zoek het niet te ver, nergens zo mooi als hier bij ons. Ga stappen in de Ardennen, huur een vakantiehuisje op een hei of reserveer een vierkante meter strand aan de Belgische kust. Wel even uitkijken voor mogelijke hommeles, bij dat laatste. Blijf hoffelijk.
Ik begon alvast met mijn geplande vakantieperiode wat in te korten, tien dagen staycation leken me ruim voldoende. De overig verlofdagen zou ik wel opsouperen in december, bij de kerstboom. Bovendien keek ik een beetje doelloos tegen deze zomer aan. Dat was vroeger ook wel anders. Toen had ik nog een kind in huis waarmee je wel eens naar een speeltuin of een zwemvijver moest. Of, in ons specifieke geval: heel, héél dikwijls naar de manège. En ik ben zelfs ooit- maar dat was écht in magere tijden!- een volledige verlofperiode in de weer geweest met het lakken van een stel tweedehandsmeubels. Toen hebben de dochter en ik twee weken gekampeerd tussen gedemonteerde onderdelen van lades en vitrinekasten, overal lag wel iets te drogen op witte lakens gespreid over de vloer, wachtend op een volgend laagje verf. Maar er zat een doel achter en het voelde even spannend als mijn eerste road trip, want ik blink nu niet meteen uit in schilderend vakmanschap. Maar het resultaat was meer dan behoorlijk en twee van die gerecycleerde kasten hebben de tand des tijds zelfs overleefd, al werd hun kleurtje intussen wel wat valer. Dus, al bij al: een meer dan geslaagde vakantie, met verstrekkende gevolgen van voldoening.
Maar nu startte ik dus met een andere insteek. Meer met zo'n gevoel van: we zien wel. Dus het begon met lui uitslapen en nog veel en loom zitten lezen, want ik pikte nog wat van de hittegolf mee. En toen het dan eindelijk wat koeler werd, kwam ook de regen. De dag dat ik eens een rondje om het Schulens meer wou joggen ( zéér traag!) vergat ik mijn regenjasje.
En met een uitstap naar de Vlooybergtoren ben je in je eentje ook snel rond: een uurtje later stond ik al terug thuis. Je staat daar toch redelijk onnozel te kijken, zo zonder gezelschap, heel anders dan bij de toren van Pisa bijvoorbeeld, daar wordt niet anders dan stille bewondering verwacht.
En dan was er nog de wandeling ergens in de velden van Schoonderbuken. Een tip van een vriendin: als je dat weggetje neemt en je wandelt dan zus en zo, kom je helemaal uit bij de autostrade. Het leek me niet meteen de meest spannende bestemming, maar ik heb het toch maar gedaan, heen en weer. Met onderweg best wel mooie landschappen, dat moet ik toegeven.
Verder waren er nog wat uitspattingen zoals: een dik pak frieten met mayonaise en een vleeskroket gaan eten, ergens op een wiebel houten frituurterras. Iets te veel taart ook, gewoon aan mijn keukentafel en niet eens op zondag. En ook, helemaal volgens het adagium van' het is maar één keer vakantie, zelfs voor geheelonthoudende singles': een fles wijn soldaat maken, in mijn eentje op mijn terras. Dat is helaas niet volledig gelukt, ik ben daar echt niet goed in, maar ik ben die avond wel verbluffend vrolijk in mijn bed gesukkeld, dat was met een glas of drie al geklonken. Over het speciale vakantiegevoel van de dag nadien ga ik maar best niet uitweiden.
Om mijn staycation dus even samen te vatten: veel geslapen, gelezen, te veel gegeten, gelummeld, korte uitstapjes gemaakt en iets te veel taart en wijn geconsumeerd. Het doet me zo'n beetje denken aan een vroegere vakantie, ook weer jaren geleden. Toen had ik me laten verleiden tot zo'n all inclusive, aan een Spaanse Costa. Dat kwam aardig in de buurt van dit, veel meer heb ik toen ook niet uitgevreten. Alleen ben ik er deze keer niet voor op een vliegtuig gestapt. En de frieten kwamen natuurlijk ook niet van Fritura La Patata.


Reageer via    






De ladder - 19/11/2020

Ik heb iets met houten speelgoed. Niet zo meteen omwille van die voorzichtige link naar ecologisch verantwoord, want daar ben ik niet volledig van overtuigd. Het mag dan wel zijn dat zo'n boom een tweede leven krijgt in de vorm van een houten trekharlekijn, maar hij moet toch maar mooi eerst sneuvelen.
Nee, ik vind het gewoon gezellig. En rustgevend. Ik werk af en toe in de buurt van zo'n pedagogisch-didactische speelgoedwinkel en ik durf daar wel eens een stukje van mijn middagpauze door te brengen, er hangt nog zo'n geur van gekapt bos. Het is een wereld van schappen vol verbeelding. Dozen met grote, glanzende blokken. Knalgeel gelakte kuikens op wielen. Houterige soldaatjes in slagorde bij een fort. Ik word daar blij van.
Overigens, duurzaam is dat houten speelgoed heel zeker wel! Ik kocht eens, lang geleden, zo'n treintje op beuken wieltjes, een kraamcadeautje voor het zoontje van een collega. Ik kwam de mama in kwestie onlangs nog eens tegen, vijfentwintig jaar later, en wat bleek: locomotief en aanhangwagens verkeerden nog in steeds in onberispelijke staat. Meer zelfs: ze hadden ook nog de rest van het nageslacht overleefd, met name nog twee jongere broertjes en een heel vinnige, smijtgrage zus. Een mogelijk volgende generatie weet zich dus ook al verzekerd van een stevig stuk speelgoed.
"Je wil niet weten hoe dikwijls dat ding in krijsende kindercolère tegen de vloer werd gekeild," grapte de mama er nog bij. Gelukkig kon ze er om lachen.
Waar mijn voorliefde voor dat hout vandaan komt weet ik niet zo precies. Ik ben niet de meest alternatieve ziel en het enige houten speeltje dat de Sint mij ooit bracht was een eetstoeltje voor mijn poppen. Zo eentje op hoge poten en met een telraampje vooraan op het blauwgelakte eetblad. Bij elk fictief lepeltje pap mocht de uitverkoren pop van de dag een kraaltje wegschuiven. Daar zat dus wel wat opvoedkunde achter. Maar verder? Toen toch al iets meer nutteloze prullen in plastiek, vrees ik, en ik had hoe dan ook geen volgestouwde speelkamer.
Misschien zat de houten ladder er wel voor iets tussen. Want daar heb ik als kind wel ettelijke uren op doorgebracht, samen met mijn nichtje. Terwijl onze ouders buitenshuis werkten verbleven zij en ik dagelijks, voor en na school, in het buurtwinkeltje van onze grootmoeder. En daar kon je natuurlijk via een trap naar de bovenverdieping, maar aan de achterkant van het pand werd er verbouwd en stond in afwachting van een tweede trap nog tijdelijk een ladder. Zo'n eenvoudige, maar oerdegelijke constructie in grof grijzig hout, misschien nog wel eigenhandig ineen getimmerd door mijn grootvader. Wie van ons ooit op het lumineuze idee kwam is niet meer te achterhalen, maar op regenachtige dagen, als op de stoep gaan rolschaatsen niet aan de orde was, 'schilderden' mijn nichtje en ik die ladder. Niet met echte verf, maar we kropen met een potje water en een fijn penseeltje omhoog en kleurden zo, heel secuur en met benijdenswaardige vlijt, de houten sporten. De bedoeling was om de ladder in één geheel overal even nat te krijgen. Wat natuurlijk nooit lukte, want naarmate we vorderden droogde er altijd wel weer een ander stukje op.
Maar we gaven nooit op. Wat vandaag mislukte probeerden we 's anderendaags opnieuw en we veranderen ook wel eens van strategie. Dan startten we bijvoorbeeld elk van een andere kant en werkten we zo naar het midden toe. Elkaar tegemoetkomen, dat hebben we daar geleerd. Ook over de hiërarchie werd nagedacht: wie begon bovenaan, wie onderaan? En wie presteerde waar en wanneer en hoe en op de beste plaats? Een kinderlijk, maar al vernuftig staaltje van de postjes correct en eerlijk verdelen.
Het waren leerrijke tijden, daar op onze houten ladder. We hebben er stoute plannen gesmeed en levensbelangrijke zaken besproken en heel zeker ook laaiende ruzies uitgevochten. Want als kind waren we best wel tegenpolen: mijn nichtje dacht praktisch en beredeneerd en ik was meer van het wispelturige soort, met een scherpe tong ook. We waren het zelden grondig eens.
Maar we zijn er altijd uit gekomen, zonder blijvende onenigheid en altijd weer met de beste bedoelingen. En in de wetenschap dat, voor het behalen van uiterst moeilijke doelstellingen, er vermoedelijk maar één optie is: de koppen samen steken en overleggen. Niet altijd maar stug links of rechts denken, gewoon nadenken wil ook wel eens helpen.
Dat schiet wel eens door m'n hoofd als ik zie hoe onze koning het zoveelste preformateursduo over de vloer krijgt.
Zou daar in Laken dan nergens een laddertje staan?

Reageer via    






Koning auto - 16/09/2020



We krijgen een nieuwe car policy. Ik werk in een commerciële omgeving, dus daar bollen wel wat bedrijfswagens, en die van mij is daar één van. En vermits elk zichzelf respecterend bedrijf met regelmaat eens polst naar wat zich afspeelt in the field gaat nu ook bij ons één en ander wijzigen qua mogelijkheden en voorwaarden binnen dat wagenpark. Kijken wat beter kan dus, en misschien al dat rollend materiaal iets meer laten aansluiten bij persoonlijke noden en behoeften. Maar eerst is er een gedetailleerd overzicht nodig van lopende - of beter gezegd, rijdende- stand van zaken.
We moeten ieder, individueel, een volledig rapport invullen, over werkelijk elk schijnbaar onbenullig onderdeeltje van onze huidige wagen én alles moet ook gedocumenteerd worden met een duidelijke foto. Met die foto's ben ik een vol uur in de weer, 's avonds na het werk. Dus mensen die mij toevallig, op de parking van CC Den Egger, gehurkt en vanuit de vreemdste posities, foto's zagen nemen van verder weinig inspirerende zaken als bumpers en koplampen: dit was waarom.
Als ik 's avonds alle foto's upload en elk minuscuul schrammetje op de zijflanken nog eens uitvoerig in het nog speciaal voorziene kadertje toelicht- veelvuldig parkeren op enge, ondergrondse parkings resulteert in verbluffend veel schrammetjes! - vind ik het wel grappig. Het is echt de allereerste keer dat ik zo aandachtig met m'n neus boven op zo'n blikken ding zit. Uiteindelijk blijft het toch maar een dagelijks gebruiksvoorwerp, dus slechts matig interessant.
Ik ben op alle vlakken een laatbloeier en met m'n rijbewijs was dat niet anders: ik was al dertig toen ik het behaalde en dan nog enkel en alleen omdat het echt moest. Want tot dusver had ik me redelijk weten te beredderen met bus en trein, carpoolen en af en toe zelfs liftend, ik stam nog uit onverschrokken tijden. Maar opeens kreeg ik de job van mijn leven in de schoot geworpen, compleet mét firmawagen in het loon pakket. Grote hilariteit toen ik tijdens de laatste sollicitatieronde beduusd opbiechtte dat ik zelfs niet wist hoe te vertrekken met dat onvoorziene cadeau. Ik wist het stuurwiel staan, daarmee was alles gezegd. Maar iemand daar moet toch wel heel erg overtuigd geweest van mijn mogelijke meerwaarde voor het bedrijf, dus ik kreeg, in afwachting van de noodzakelijke rijlessen, alvast die firmawagen + chauffeur, alsjeblieft! Eén van mijn jongere nichtjes was op dat moment tijdelijk werkloos, kon al sturen als de beste, en voerde mij- onder waterdicht interim contract- overal naartoe. Ik durf dus echt wel te stellen dat ik die eerste stap naar externe sales in stijl heb gezet. En mijn nichtje blijf ik uiteraard eeuwig dankbaar.
Met dat rijbewijs is het uiteindelijk in orde gekomen, ik ga niet uitweiden over het aantal pogingen om het te behalen. Maar plots was ik vertrokken en kon ik overal naartoe, zomaar, waar en wanneer en waarheen ik maar wou. Om de drie, maximum vier jaar zelfs met een nieuwe lease wagen onder mijn kont, zo werkt dat in die wereld. Soms ook eens wat sneller dan verwacht met een karretje dat gelukkig nog beschikbaar was binnen de fleet, want ik heb wel één en ander in de vernieling gereden, lang voor de beoogde leasetermijn verlopen was. Goddank nooit zware accidenten, maar gewoon, domme pech: distributieriem gebroken, versnellingspook total loss, remmen die het zonder enige waarschuwing begaven in een bebouwde kom, banden aan flarden gereden, dat soort dingen. Al werd in de wandelgangen wel eens voorzichtig geopperd dat het misschien wel kon te maken hebben met mijn rijstijl. Ik heb mijn werkgever ooit- toen ik nog dacht dat het gras groener was aan de overkant- verlaten, om acht jaar later deemoedig weer te keren. De grote baas liet me toen, bij wijze van hartelijk welkom 2.0, een fles dure champagne bezorgen, en daar zat een gele post-it op gekleefd: kan je intussen al met de auto rijden?
Kort samengevat: ik reed al met vanalles. Met rammelende Franse bakken, of heel comfortabel in Deutsche Gründligkeit. Ik was ook een tijd onwaarschijnlijk fel gecharmeerd van het design van een Italiaans merk. Maar als je me nu naar m'n ultieme vervoermiddel vraagt? Mijn Koning Auto? Een botsauto? Een helikopter misschien? Gezien de huidige verkeerssituaties?
Dat wordt dus nog moeilijk kiezen binnenkort. Want we mogen- uiteraard binnen een bepaald budget- ons eigen pakket gaan samenstellen. Merk, model, opties. Vooral dat laatste wordt een harde dobber. Als ik bedenk dat ik nu, na toch al drie jaar met m'n huidige wagen, nog steeds niet goed weet waar de mistlichten staan? Bijkomende opties zei u? Jongens!
Wat me dan weer doet denken aan een mop over mannen en hun auto, ergens gelezen in een interview met Dirk Draulans, als ik me goed herinner. Toch een gerenommeerd bioloog, dus er zal wel iets van aan zijn. Over de man en zijn wagen. Volgens hem heb je drie soorten: 1.
De razendknappe man: die heeft altijd succes, moet niks speciaals ondernemen om indruk te maken. 2.
Jan Modaal: haalt z'n slag meestal thuis met humor, maar ook altijd (én blijvend!) leuk natuurlijk. 3.
En dan is er nog de man die weinig of niets te bieden heeft: die koopt meestal een dure bak.
Zal ook wel voor vrouwen gelden, we gaan hier niet discrimineren. Met als moraal van het verhaal: het is niet al goud wat blinkt en echte klasse verplaatst zich niet noodzakelijk op vier wielen. Toch iets om rekening mee te houden. En misschien niet enkel bij de keuze van een nieuwe auto.

Reageer via