Yoga - 05/04/2021

Over yoga moet ik het ook nog eens hebben. Tenslotte schrijf ik over de dagdagelijkse dingen en yoga begint stilaan in die buurt te komen. Ik lig dan wel geen zeven keer per week op mijn matje, maar veel zal het niet meer schelen. Vooral ook omdat je voor yoga niet altijd een matje nodig hebt. It 's a state of mind, je kan het bij wijze van spreken overal doen, zelfs op de trein, terwijl je dromerig door een raampje tuurt. Mevrouw Dutordoir zal het graag horen.
Het mag trouwens een godswonder heten dat ik überhaupt ooit in een yogales ben terecht gekomen. Want ik ben nogal van de rechtlijnige soort, van alles wat nog maar neigt naar zweverige zelfreflectie krijg ik het al op m'n heupen. Komt nog bij dat yoga quasi goed is voor alles: het verlicht rugklachten, stijve nek, schouderpijn en maagklachten. Je leert beter omgaan met chronische stress, het werkt helend bij migraine en het zou je kunnen behoeden voor een burn out. Ook ondersteunend bij vermoeidheid, naar het schijnt. Allemaal dingen waar ik nu nét weinig of geen last van heb. Voorlopig beweeg ik me nog door de dagen zonder al te luid te kraken. En ik hou wel van een beetje gezonde stress. En ja, ik besef het wel: ik behoor tot de gelukkigen, een gezond gestel is in dit leven zowat het hoogste goed. Je zal de pech maar hebben dat één of andere duistere fee daar ooit anders over besliste, terwijl ze boos met haar toverstok boven je wiegje stond te zwaaien.
Dus ik verzeilde eerder toevallig in die wereld van innerlijke rust en diepe ontspanning. De zus van een intussen alweer ex-collega had net een intensieve opleiding gevolgd en wou wat lessen geven, bij wijze van experiment. En omdat ik elke vorm van ondernemerschap- ook al borrelt het idee nog in de prilste kiem en zie ik bitter weinig connectie met mijn leefwereld- alleen maar kan toejuichen, stond ik natuurlijk al meteen te huppen op de eerste rij: ja! Yoga! Laat ons dat eens proberen! Ik liep intussen al vijf jaar lang, twee keer per week, steeds weer dezelfde rondjes op de Finse piste, vaak dan nog met die opgefokte Evy Gruyaert in m'n oren, dus het mocht wel eens iets anders worden.
De eerste kennismaking met yoga ging door op een stijlvolle, speciaal daarvoor ingerichte zolderkamer, in de zachte gloed van warme sfeerverlichting. Samen met tien andere dames waagde ik me aan de grondbeginselen, blijkbaar was het voor ons allemaal de eerste keer. Naar goede gewoonte maakte ik me in eerste instantie vooral zorgen over mijn outfit- ik had gewoon mijn strak looptenue nog aan - dus het was pas de week nadien, dat ik dacht: tiens, dat voelt wel goed, hier zo rare dingen doen op een matje, gewoon in wat losse kledij. En het ging me nog niet eens om al dat rekken en strekken, nee, mijn aandacht ging vooral naar het zogenaamde 'ontspanmoment': een kwartiertje helemaal niks, platte rust, een vast ankerpunt in elke les. Je moet je enkel laten leiden door een rustige stem, die je meevoert langs toch een aantal enigszins verwaarloosde onderdelen van je lijf: je kruin, je voorhoofd, je wangen, je kin en zo verder naar beneden, helemaal tot aan de toppen van je tenen.
En daarna weer in omgekeerde volgorde terug naar boven. Ik ging langs plaatsen waar ik in gedachten al lang niet meer was geweest. Want een mens is altijd maar begaan met een strakke buik en stevige billen, maar zonder deftig functionerende kuiten en knieën val je ook maar hopeloos in de prak. Afin, dat eerste zen-momentje, ik werd er simpelweg gelukkig van. Dat gevoel van: hèhè, blij dat we hier zijn en verder lekker niks. Terwijl ik net altijd had gedacht dat ik vooral razendsnel zou willen weg rennen van zoveel rust.

Aan die zalige zolderkamer kwam helaas en sneller dan voorzien een eind, gewoon, praktische bezwaren. Maar ik had de smaak te pakken en ik zei het al: ik ben een zondagskind! Dus via via werd ik dan weer sneller dan gehoopt ingelijfd in m'n huidige yoga clubje. Alleen: dit was heel ander koek! Want hier zag ik me plots omringd door geroutineerde dames (en af en toe zelfs een dappere heer), dames die al jaren vertrouwd waren met asana's in alle windrichtingen. In mijn eerste les gingen ze met z'n allen -whoppa!- vanuit kleermakerszit achterover 'rollen', tot ze met hun tenen helemaal de grond raakten, terwijl ik amper mijn kont van de mat kreeg. Om even mijn staat van dienst te schetsen: ik had al de grootste moeite om mijn benen in keurige kleermakerszit te krijgen! Terwijl de mevrouw rechts van mij in vloeiende bewegingen zon en maan en aarde groette, als een lenige kat.
"Ja, maar ik doe dit al een tijdje," zei ze bescheiden.
74 was ze. En nog even soepel als de malse laagjes deeg van een apfelstrudel, die je zo nog even in de juiste vorm kan kneden, net voor je hem in de oven schuift.
We zijn intussen een kleine twee jaar verder nu. En ik kan nu ook al een paar dingetjes. De houding van de hond en de kat en zo. Die van de volledig kaarsrechte kaars is nog in opbouw. En mijn uitvoering is niet altijd even elegant, maar ik doe één en ander toch al in de juiste volgorde. En het heerlijke is: niks moet, je kiest zelf hoe ver je gaat. Wat me dan toch weer doet streven naar steeds dat ietsje meer: wat hoger met die benen of wat rechter die rug. Om voor de hand liggende reden gaan de lessen voorlopig door online, maar zelfs dan betrap ik me op lichte verslavingsverschijnselen: ook in mijn eigen living ben ik nu met schemerlampjes en kaarslicht in de weer en ik word instant gelukkig van het getinkel van de klankschaaltjes waarmee elke les begint. Achteraf bekeken had Pavlov eigenlijk geen hond nodig gehad, het levende bewijs van conditionering ligt wekelijks in Scherpenheuvel op een mat. En ik heb me onlangs zelfs een wat professioneler matje aangeschaft, iets met meer grip zodat ik alles wat in spreidstand moet zonder noemenswaardige ongelukken kan uitvoeren. En af en toe pik ik op internet nog eens een ander yogalesje mee. Met regelmatig en als absoluut hoogtepunt een volledig uur Mie-time: in het luchtledige liggen met Yoga Nidra. Plat op de mat, met uitgestrekte nek en ogen dicht, de armen naast het lichaam en de handpalmen naar boven. En dan wat meedeinen op de tonen van een zachte stem. Saai, zou je denken. En toch eindig ik telkens omzeggens zwevend boven de vloer. Van puur, onvervalst geluk.
Ja, yoga, het doet wat met een mens.
Misschien moet ik me ook nog eens zo'n schattig Tibetaans klankschaaltje aanschaffen.
En dan tingelingeling: see you in savasana! Reageer via    






Boerengat - 20/04/2021

Zo had ik me laatst weer eens laten gaan. Ik had een post of Facebook geplaatst, met een nogal uitgesproken mening over een verhitst en gelukkig ook weer vluchtig item in de dagelijkse nieuwsberichten. Maar ik ergerde me mateloos aan de zoveelste tirade die open en (dit keer zelfs letterlijk!) bloot over al mijn beeldschermen raasde. Er zijn blijkbaar mensen die over een stevig blok nationale zendtijd mogen beschikken, met als enige toegevoegde waarde de gang van zaken in dit land nog maar eens uiterst grondig af te kammen. Over een mogelijk beter voorstel wordt zelfs niet gehikt, met gebalde vuisten richting camera brallen volstaat. Goed voor de kijkcijfers en intussen wordt iedereen nog eens lekker opgejut. Alsof er nog niet genoeg gekte is in de wereld.
Nu, tenzij het over het droeve lot van bedreigde diersoorten gaat, onverbloemd je mening op Facebook zetten, dat doe je beter niet. Daar komt heibel van. Ik wéét dat. Maar het was al laat op de avond en dan durf ik wel eens overmoedig te worden. Dus ik tikte toch op enter, tegen beter weten in, want in wezen ben ik - dat zei ik al eerder- een bang, bang schaap.
De reacties bleven natuurlijk niet uit. Ik was er 's anderendaags wel even zoet mee eer ik ze allemaal deftig gelezen had. Maar al bij al viel de gevreesde ravage wel mee: slechts twee negatieve uithalen aan mijn adres, weliswaar ongefilterd geformuleerd, maar dat zien we de laatste tijd wel meer. Wat me vooral en op giftige toon verweten werd was het feit dat ik schijn te wonen in een boerengat. 'Het meest bekrompen en burgerlijke dorp' werd me, waarschijnlijk voor alle duidelijkheid, nog meegegeven. Niet meteen het stevigste argument om een andere mening inzake politieke beslissingen op nationaal niveau mee te onderbouwen, maar het bleef wel hangen. Wetende dat wij al stadsrechten hebben sinds 1605, maar vooral ook omdat ik als dom en gemeen werd beschouwd, puur op basis van herkomst, iets waar we anders toch luid en duidelijk tegen moeten zijn. Ik kan me voorstellen dat er wel eens voor minder wordt gebeld naar het centrum van gelijke kansen.
"Scherpenheuvel, een boerengat?" reageerde één van mijn beste vriendinnen ongelovig. Want zij is van Limburgse origine en struint dus vaak door de Hasseltse straten, toch wel locaties met enig elan. Maar sinds zij en ik eens samen - tussen twee lockdowns in- een zonnige zaterdagmiddag doorbrachten in mijn heimat is ze hier bij wijze van spreken niet meer weg te slaan. Intussen frequenteert ze hier zelfs een paar vaste adresjes. Want blijkbaar hebben wij hier de beste kapster, de beste apotheek, de gezelligste winkeltjes en scoren wij in het algemeen bijzonder hoog qua gemoedelijkheid.
Dingen die zij ook nog met vaste regelmaat en vol verwondering oprakelt, allemaal gekoppeld aan die ene zonnige dag: "
Op zo'n zomerse marktdag is het hele centrum hier gewoon autovrij, je mag kris kras van hot naar her. "
We kwamen, al flanerend door datzelfde centrum, een hoop mensen tegen die 'Hey Mie' naar mij zwaaiden, alsof iedereen hier zomaar iedereen kent. "
Als je hier op een gezellig terras, in de koele schaduw van een statige basiliek, een doodgewone croque monsieur bestelt en de ober brengt bij vergissing zo'n dure versie met zalm, dan mag je die toch helemaal opeten, en er worden geen extra kosten aangerekend. "
Het gemiddelde publiek in het straatbeeld is misschien niet extreem jong en altijd even vlot te been, maar wel goedgezind. Weinig zure gezichten te zien, mensen laten zich soms van verre tot hier rollen en zijn duidelijk blij nog eens in Scherpenheuvel te zijn. Dat genoegen is trouwens geheel wederzijds, gastvrij als wij zijn.
En dan hebben we het die dag nog niet gehad over ons cultureel patrimonium. Het verhaal van Albrecht en Isabella heeft ze dus nog te goed.
Ik wil maar zeggen: het kan er precies toch allemaal redelijk mee door, hier in Scherpenheuvel. Natuurlijk, ik voel me hier helemaal Thuys, dus ik deel misschien nogal royaal de punten uit, maar kijk, mijn positief rapport wordt toch maar mooi onderschreven door een Limburgse wereldburger.
En laat ons wel wezen: wat kan er uiteindelijk mis zijn met een boerengat? In tijden waar zelfs federale én deelregeringen ons opmerkelijk eensgezind oproepen vooral ons gezond verstand te gebruiken? En toon mij dan eens één boer die dat niet heeft?
Ik ben niet gaan uitpluizen waar mijn boze belagers precies vandaan kwamen. Maar ik hoop dat ze wonen op een aangename plek, waar het chagrijn niet dagelijks gratis mee uit de kranen stroomt. Of misschien moeten ze ook gewoon eens langskomen, hier in ons boerengat, op een zonnige dag.
Want, zoals mijn Limburgse vriendin wel eens pleegt te zeggen:
Scherpenheuvel rocks!



Reageer via    






Stuurloos - 01/05/2021

Heel af en toe durf ik mezelf wel eens weer wakker te woelen. Dan spook ik zo fel door mijn dromen dat zelfs mijn onderbewustzijn zegt: kom, doe die ogen maar terug open, dit gaat erover.
Het overkomt me nog eens op een te korte nacht van zondag op maandag, uitgerekend zo'n moment waarop je denkt: verdomme, en morgen word ik weer monter verwacht aan de start. Maar ik zit al rechtop in mijn bed, klaarwakker. Ik overweeg nog even om, bij wijze van afleiding, een hoofdstukje te lezen, er ligt nog een nagelnieuw boek binnen handbereik, maar ik ken mezelf: als dat verhaal een beetje leuk geschreven is ben ik nog bij de wakkeren als die vroege wekker straks effectief gaat rinkelen. En dan zijn we nog verder van huis.

Dus ik sta maar op. Laat dit dan nog eens zo'n buitenkansje zijn voor warme chocomelk, tenslotte was dit - en dat realiseer ik me nu pas, terwijl ik in de keukenkasten speur naar nog een vergeten schepje Nesquik- een heel boze en warrige droom. Ik ben bitter van leer getrokken tegen iemand die het dan uiteindelijk toch weer niet waard was. Daar kan dus maar beter wat zoetigheid tegenover staan. Misschien ook nog een lepeltje honing?

Als ik met mijn dampende kop gesuikerde troost aan tafel zit kan ik het niet laten nog snel mijn lap top open te klikken. Ook niet het beste idee natuurlijk, want dan krijg je weer dat gedoe met blauw licht en zo, even goed nefast voor de endorfines.
Maar ik wil nu wel eens weten wat Wikipedia zegt over dromen. De wetenschap. En die heeft in dit specifieke geval zelfs een moeilijke naam, lees ik: oneirologie. De wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen en ontleden van dromen. En die stelt dat een mens gedurende zijn leven bij benadering zes jaar lang droomt, wat overeenkomt met twee uur per nacht. Twee uur per nacht! Niet te geloven dat ik überhaupt al eens gewoon uitgeslapen uit mijn bed ben geraakt. Want ik droom meestal zeer levendig. En ook in bonte kleuren en uiterst gedetailleerd. Maar vooral de bijhorende conversaties zijn memorabel.
Ik droomde eens dat ik een exclusief interview mocht afnemen van Tom Barman, bij hem thuis in de keuken- ja, veel romantischer wordt het bij mij nooit hoor- en ik kon 's anderendaags nog tot op de laatste letter herhalen wat hij had verteld. En omgekeerd natuurlijk ook: wat ik zoal tegen hém had gezegd. Over de rare kleur van zijn pantoffels en dat ik het eigenlijk niet begrepen had op zijn yucca, zo'n agressief ogende plant met puntige bladeren, die daar toevallig in de erker van zijn appartement stond. Want los van de vele details is ook dat een rode draad doorheen mijn dromen: ik formuleer, tomeloos en volledig associatief, mijn ongezouten mening. Zomaar, zinloos, en tegen iedereen die per ongeluk passeert. Een ongeleid verbaal projectiel.
Als het waar is dat je 's nachts het gruis van de dag nog verwerkt, dan zit ik misschien wel met een serieus probleem. Beland ik vroeg of laat nog eens languit op een sofa.

Ik dwaal nog wat verder langs de domeinen van internet en stuit nog op een artikel uit een gedateerde Libelle: 21 trucjes om snel in slaap te vallen. En verder wemelt het in Google Land nog van stellingen en hypotheses, in de oudheid zag men dromen zelfs als boodschappen van de goden. Dat was dan in de tijd dat de Griekse en Romeinse goden nog concurrentieel opereerden, elk team vanuit de eigen Skybox, hoog boven de wolken. Voor een solitaire oppermacht, zoals wij die nu kennen, zou dat waarschijnlijk te belastend worden, altijd zo maar in z'n eentje op en af razen met orakels. Maar er bestaan heden ten dage dan wel weer droomduiders en droomboeken en dream catchers en webshops boordevol prullen die ons moeiteloos in een diepe, droomloze slaap moeten sussen. Er zijn zelfs mensen die zweren bij een helende steen op het nachtkastje.

Maar uiteindelijk is er nog altijd niemand die het echt zeker weet: wat is een droom nu precies? En wat doet het met een mens?

De enige zekerheid: je kan dromen niet echt sturen. Wat ik dan weer bijzonder jammer vind. Want ik droom ook zelden eens van grootse dingen. Of van diepe verlangens. Het zijn altijd zo van die zinloze gesprekken die ik 's nachts voer. Nooit wandel ik eens hand in hand met een spirituele prins, betoverende zonsondergangen tegemoet. Nooit eens een Barman die speciaal voor mij op zoek gaat naar een nieuwe kamerplant.


Nee, als er dan al eens eentje in mijn dromen opduikt, heb ik het er bij die jongen in kwestie meestal al meteen onverbloemd en volledig nutteloos in gewreven: jij mag wel eens naar de kapper en ik vind je mening over de daklozen maar niks.


Ik zei het al: stuurloze gedachten. Nietszeggend en vaak zelfs boos gekrakeel.

Wie in mijn dromen mag meespelen kan maar beter hopen dat ze inderdaad bedrog zijn.



Reageer via    






Déjà vu - 05/05/2021

Een diepe kras die horizontaal loopt over de linkerflank van mijn auto en een paar kleine schrammetjes op het rechterportier vooraan voeren me nog eens naar een carrosserie in het Leuvense. De zoveelste aangifte ook alweer bij de leasemaatschappij van mijn wagen, dat was zelfs de centrale diensten aldaar niet ontgaan. Ik had amper een kwartiertje eerder een omschrijving van de aangerichte schade + een duidelijke foto van kras én schrammen doorgemaild, of ik kreeg al een mail terug met een rechtstreekse link naar het overzicht van de reeds uitgevoerde herstellingen aan 'het betreffende voertuig'. En bij dat overzicht stond onderaan, in vet lettertype, het totaalbedrag van de reeds gemaakte kosten én daarnaast ook nog, ter vergelijking, de gemiddelde schadekost van een voertuig met een gelijkaardig contract.
Ik dacht, toe maar, kras het er nog wat dieper in.

In een volgende mail kwam dan de vraag of ik misschien ook enige toelichting kon geven over waarom ik gelijktijdig twee incidenten kwam te melden, maar respectievelijk aan linker-én rechterkant van het voertuig. Een terechte vraag, ik besloot even deftig na te denken alvorens een antwoord te formuleren, voor je het weet word je misschien wel zelf beticht van kwaad opzet. Dat ze bij zo'n maatschappij gaan denken: daar heb je haar weer, die vrouw krast zomaar wat in het rond, niks beters te doen waarschijnlijk.
Maar ik besloot uiteindelijk toch maar de waarheid te vertellen, eerlijk duurt tenslotte altijd het langst. Dus ik stuurde een summier berichtje terug: dat iemand me attent gemaakt had op die kras op het betreffende voertuig en dat ik daarna ook al de andere kanten ook nog eens grondig had geïnspecteerd, voor alle zekerheid. Die schrammetjes rechts zaten er dus vermoedelijk al eerder dan de kras links, maar ik ben nu eenmaal de bestuurder van het betreffende voertuig. En ik weet niet hoe anderen dat misschien wel doen, maar in hoedanigheid van chauffeur stap ik zelden of nooit in langs rechts, tenzij misschien bij extreme vriestemperaturen, als één en ander dichtgevroren blijkt. Bij een SUV kan je dan eventueel ook via de kofferruimte tot bij je stuur geraken, weet ik inmiddels ook uit eigen ervaring, maar dat heb ik maar niet vermeld. In elk geval: mogelijke schrammen langs passagierskant van het betreffende voertuig durven me wel eens ontgaan, ik kom daar niet zo vaak.

Je kan ze daar op die centrale helpdesk niet beschuldigen van gebrek aan empathie, want nog diezelfde dag kreeg ik alle richtlijnen over waar en wanneer herstellingen aan het betreffende voertuig mochten worden uitgevoerd. Correcte en snelle service, met vriendelijke groeten ook, absoluut puike organisatie.
En inderdaad, ik mag nog eens naar diezelfde carrosserie waar ik een jaar of twee geleden al eens passeerde, ik heb daar destijds zelfs nog een blogje aan gewijd. Want de man aan de balie was toen laaiend enthousiast geweest over het feit dat ik van Scherpenheuvel ben, hij had daar zelf ook nog verre, familiale connecties gehad. Een tante die lang geleden op 't Hof woonde en dan ook nog een prijs gewonnen had voor de mooiste bloemen in haar voortuin. Ik kon me daar wel iets bij voorstellen, vooral met zo'n complementair adres als voorzet.

De balieman is er vandaag nog steeds en wordt weer even laaiend enthousiast als hij mijn boorddocumenten bekijkt. "Van Scherpenheuvel!" zegt hij opnieuw oprecht vrolijk. Ik krijg een déjà-vu. En meteen ook weer een verhaal over zijn lokale connecties, dit keer wel niet over de prijzenkast van zijn tante, maar over plaats van herkomst van zijn vader zaliger." Die woonde als kind op Ballaar," zegt hij, "ken jij dat?" Ja, dat ken ik. "Er heerst veel onzekerheid over dat gebied," zegt hij, "iedereen vindt dat het bij Scherpenheuvel hoort, maar volgens mij leunt het meer aan bij Bekkevoort." Hij kijkt er ook ietwat spiedend bij, alsof hij mijn standpunt inzake een mogelijke fusie met Bekkevoort wil lospeuteren. Ik knik maar wat, want echt zeker weet ik het ook allemaal niet en er is al genoeg heibel in de wereld over twijfelachtige grensgebieden. Als hij me even later de sleutels van de vervangwagen overhandigt polst hij toch nog eens voor alle zekerheid: "Maar gij zijt dus echt van hartje Scherpenheuvel?" Ja dus. Ik woon wel in de lagere regionen, maar het is maar één klein bergje opstappen en ik sta aan de Basiliek, het hoogste punt. Even stijgen dus. In onze buurt gaan wij dan ook niet gewoon naar de Markt, nee, wij gaan 'omhoog'. Een algemeen aanvaarde en dagelijks gebruikte uitdrukking, ik heb het nooit anders geweten. Als mijn vader een pintje wil gaan pakken in Café Boulevard, aan het eind van onze straat, kondigt hij dat ook zo aan: ik ga nog eens omhoog. En als hij dan enkele uren later, terug thuis, wel eens in slaap sukkelt in de zetel zegt mijn moeder veelbetekenend: hij is weer omhoog geweest.

Vooral over dat laatste wordt dezer dagen, nu de terrasjes weer wenken, druk gefantaseerd. Niet alleen mijn vader droomt van weer eens een frisse pint met zijn pet in de zon, maar zelfs mijn moeder, ook al kan ze niet meer mee, kijkt er naar uit. "'t Wordt tijd dat hij nog eens omhoog gaat," zegt ze, "dan heeft hij nadien nog eens verhaal".
Dus mijn vader neemt haar goede raad ter harte en belt alvast met zijn vriend Firmin, één van zijn laatste spitsbroeders in het stamcafé. Ze komen, zoals het gelijkgestemde zielen betaamt, meteen to the point: waar en wanneer spreken we zaterdag af.
"We kunnen er maar beter op tijd bij zijn," zegt Firmin kordaat, "ik wil daar al staan om half negen, dan hebben we zeker plaats."

"Maar dat heb ik hem uit z'n hoofd gepraat," zegt mijn vader, "we gaan een uurtje later."

Lijkt mij ook wel het betere plan. Op dat uurtje zal het nu wel niet meer aan komen. Vooral ook omdat Café Boulevard pas om half tien de deuren opent.

Reageer via    






Dertigers - 15/05/2021

De meningen over deze populaire serie zijn natuurlijk verdeeld. Het is zo'n beetje als met de roddelblaadjes: je leest die dingen wel graag, maar je wil er liever niet mee gezien worden, tenzij dan bij de kapper. Zo ook dus met Dertigers, je lijkt toch altijd wat slimmer als je naar De Afspraak zapt. Maar ik maak me sterk dat ik een goede reden had om alvast naar de eerste reeks van Dertigers te kijken. Dat zat zo: tijdens die opnames werkte ik met vaste regelmaat in Antwerpen en een paar scènes speelden zich af vlak bij ons kantoor aldaar, toen nog gelegen op de Sint Jacobsmarkt. De aandachtige kijker heeft dus ooit de etalage van Actief Interim, met ons uitgebreide aanbod aan vacatures én een grote, feestelijke poster ter gelegenheid van ons 30-jarig bestaan -puur toeval, maar toch mooi synchroon meegenomen!- zien passeren. Wij trots natuurlijk, en nog niet zo'n klein beetje. Ergens in de digitale archieven moet trouwens ook nog een foto circuleren, een selfie van ons Antwerpse team en de Pie, één van de hoofdrolspelers. De eerste en enige keer dat ook ik samen met een BV op een foto ben geraakt, al was hij toen in feite nog geen BV, dat kwam pas later.


Maar goed, dan komt die serie uit en dan begin je natuurlijk te kijken. Het duurde nog tot aflevering 9 voor onze etalage eindelijk in beeld kwam (heb je ons gezien, heb je ons gezien! sms'ten wij die avond als uitgelaten kinderen naar elkaar), maar toen vertoonde ik al lang lichte verschijnselen van kijkverslaving. Want ik vond het meteen wel een gezellige bende, die Dertigers. En zoals dat meestal gaat met alles wat ook maar een beetje neigt naar soap: hoe slapjes of hoe vergezocht de verhaallijn soms ook mag zijn, je wil toch altijd weer weten hoe het verder loopt. Met in dit verhaal vooral de nadruk op: wie is nu zwanger van wie en wie gaat het één dezer misschien nog wel eens doen met wie? Spanning om te snijden, echt waar, vooral omdat alles zich toch binnen een eerder beperkte vriendenkring afspeelt, ze zijn maar met z'n zessen en veel meer volk komt er eigenlijk niet bij kijken. Niet simpel om binnen zo'n bubbel ongemerkt scheef te poepen. Afin, mijn aandacht hadden ze, alle zes, in welke constellatie ze zich ook bevonden. Dat bleef ook onverwijld zo tijdens seizoen 2.


Intussen is seizoen 3 al afgelopen. Dat wordt dus weer even afkicken. Gelukkig wordt er al druk geschreven aan de scenario's voor seizoen 4. Want Dertigers kent een ongezien succes, kijkcijferrecords werden intussen al meermaals gebroken! De meeste fans keken serie 3 zelfs bingewatchend online, maar daar deed ik niet aan mee. Ik heb gewoon 6 weken lang, van maandag tot donderdag, lekker ouderwets elke dag reikhalzend uitgekeken naar de volgende aflevering, die meestal begon om 21.20u. Dan zat ik al een half uur op voorhand als een hersenloos wezen naar het scherm van mijn TV te glimlachen, dromend van wat zou komen, mijn gsm alvast op stil.


Wat ik nu precies zo boeiend vind aan Dertigers is me niet eens zo duidelijk. Ik lees hier en daar wel eens een recensie waarin het succes toegeschreven wordt aan de herkenbaarheid. Maar, behalve wat herkenbare locaties in Antwerpen en door mij best wel gesmaakte achtergrondmuziek (ja, hier en daar zelfs een streepje dEUS!) kan ik me niet echt meer plaatsen in die leefwereld. En veel raakpunten met mezelf als dertiger vind ik ook niet terug. Toen ik dertig was werd er precies toch iets minder gefeest en gesnoven. Dat waren voor mij de jaren van huisje-tuintje-boompje en ik werd vooral geacht zo ernstig mogelijk en vooral volwassen te lijken. Ik was toen al lang blij als ik mijn keuken nog eens deftig aan de kant kreeg. Want de combinatie huishouden-kind-knorrige (en nu hoop ik van harte dat hij niet meeleest) mannelijke huisgenoot én wat ze noemen een uitdagende voltijdse job was best een vermoeiende bezigheid. Als ik toen in de vroege uurtjes nog eens bij de wakkeren was, stond ik meestal niet op een dansvloer, maar achter de strijkplank. Dan had ik gewoon de wekker wat vroeger gezet zodat we die dag alsnog kreukvrij in de ratrace konden stappen. En als -àls! want ik was er nooit zelf bij- er in nabije kringen al eens gedingest werd met vrienden of kennissen waar je eigenlijk maar beter niet mee dingeste, liep dat nooit zo goed af als bij de Dertigers. Want daar drinken ze dan gewoon nog eens samen een stevig glas en blijven ze onverstoord door dik en dun bevriend. Dat was bij ons echt wel anders, één scheve schaats en het was gegarandeerd serieuze ambras, tussen alle betrokken partijen en soms zelfs nog in netwerken ver daarbuiten.


Ook in een review van Humo lees ik dat ze daar op de redactie weinig aangesproken worden door die vermeende herkenbaarheid. En dat ze het eigenlijk maar een flutserie vinden, maar dat is nu eenmaal eigen aan Humo: als iets door heel veel mensen tegelijk goed gevonden wordt, breken zij het geheid af. Toegegeven, altijd wel op een ludieke manier en met een uitgesproken scherpe pen, dus ook ik blijf met de glimlach lezen. Maar veel wijzer word ik daar dus ook niet van.


Waarom kijken we dan zo graag naar Dertigers, zelfs al zitten we al een hele tijd niet meer in die leeftijdscategorie? Want dat schijnt wel waar te zijn: iedereen kijkt, niet enkel de beoogde doelgroep maar vooral ook wie al wat ouder is.
Misschien omdat we allemaal nog wel eens op de brats willen in Antwerpen, als dertiger, op het sterkst van ons kunnen. In de geruststellende wetenschap dat uiteindelijk alles toch weer goed komt. En dat ware vriendschap, wat er ook gebeurt, toch levenslang overeind blijft. Dogma's waar je, in de loop der jaren en geleerd door scha en schande, helaas wel eens moet op terug komen.


Ik heb het er nog over met een al even kijklustige vriendin, we bellen af en toe over stand van zaken bij Dertigers, al zitten we nog niet op hetzelfde punt van hun tijdlijn. Maar het leidt soms tot zeer diepzinnige gesprekken.

"Ik zie den Bart wel zitten," zegt zij dan, "zijn hemdjes zijn altijd nét iets te klein, maar hij komt daar mee weg."
"Ik heb het meer voor de Pieter," geef ik dan weer openlijk toe.
"Ik gun hem jou," antwoordt zij dan.


Ze moesten ons bezig horen, daar bij Humo. Reageer via    






Wat overblijft - 23/05/2021

De lente sputtert tegen dit jaar. Ze wil maar niet beginnen, pure koppigheid denk ik. We zijn intussen eind mei en we moeten zelfs nog op onze hoede blijven voor aprilse grillen. Maar ik ben toe aan nieuwe lente en nieuw geluid, dus ik besluit dan zelf maar één en ander te forceren. Binnenskamers evenwel, aan de weergoden daarbuiten heb ik toch geen lap te zeggen. Ik begin met het opruimen van een keukenkast. Misschien is die link dezer dagen niet meer zo duidelijk, maar het leunt aan bij wat meerdere generaties voor ons al deden: de grote lenteschoonmaak. Een nieuw, fris seizoen werd meestal met daadkracht ingezet.
Ik hoorde het mijn moeder en ook haar moeder zeggen, elk voorjaar weer opnieuw: tijd voor de grote kuis! Dan werd stof uit tapijten geklopt en gordijnen werden gewassen. De volledige inboedel van het huis werd minutieus onder handen genomen. Er werden sopjes gemaakt met bruine zeep en zelfs het hardnekkigste restje winterzweem werd onverbiddelijk naar buiten geschuurd.
"We kunnen er weer een jaar tegen," zuchtte mijn moeder dan, na afloop, moe maar voldaan.
Dus op een zondagmorgen ga ik ook maar eens aan de slag. Met die kast, weliswaar een kleinschaliger project, maar alvast met goede moed en het voornemen dit keer overbodige spullen ook écht weg te gooien. Want ik heb wel eens de neiging dingen te verzamelen die, behalve het razendsnel vullen van kasten, verder geen enkel nut hebben in mijn dagelijks bestaan. Die mogen nu dus naar het containerpark, of bij twijfel op z'n minst richting kringloopwinkel.
De vooropgestelde procedure loopt goed. Ik keur, keer en sorteer, zonder mededogen.
Tot ik natuurlijk het kookpotje van mijn grootmoeder zaliger in handen krijg. Een oud ding, nog in dat berookte oranje van de sixties. Hier en daar barstte al een stukje van het email weg. Een doorleefd kommetje, dat op één of andere manier toch nog in mijn keuken is beland. Het functioneert zelfs nog perfect op inductie, de bodem is zwaar genoeg. Om vage redenen associeer ik het potje ook met balletjes in tomatensaus, dus ik warm er wel eens zo'n blik van Unox in op. Langzaam roerend, met een houten lepel, zonder de dreiging van die nerveuze 'ping' van de microwave op de achtergrond. Het moet zijn dat ik mijn grootmoeder ooit zo bezig zag. Het zijn bedachtzame momenten, en met een beetje verbeelding voel ik haar nog even naast mij in de keuken staan. Zij en ik samen, slow cooking.
Dus ik besluit dat kommetje toch maar te bewaren. Warme herinneringen dank je niet zomaar af als versleten of tweedehands.
Ik zit te denken wat ik - behalve een schat aan goed bedoelde vermaningen en liefde en heel veel raad voor later als ik groot zou zijn- nog meer van haar kreeg. Nog een halskettinkje, weet ik. Iets heel fijns, zij was geen vrouw van zwaar, massief goud. Ik heb het fragiele kleinood wel eens gedragen, want het heeft natuurlijk een hoog vintage gehalte en dat werd plots weer helemaal hip. Maar de laatste jaren ligt het veilig opgeborgen in een kistje. Want helaas, er komt een leeftijd waarop je met vintage niet meer weg komt, dan lijkt het alleen nog op willen en niet meer kunnen. Bovendien verzekerde één of andere kleurenconsulente me tijdens een duurbetaalde sessie ook nog dat ik een wintertype ben en dus niet sta met goud, dat ik absoluut moet gaan voor zilver. 'Denk type Angelina Jolie' vergeleek ze me nog zonder verpinken, maar, zoals ik al zei, het was een prijzig uurtje styling.
Een oranje kookpotje en een gouden kettinkje. Een erfenis die ik koester, al kan ik ze vatten in één hand. Dat is dus wat overblijft. En natuurlijk ook onnoemlijk veel herinneringen, gelukkig maar.
Ik vraag me af hoe lang het duurt vooraleer alles dan echt, helemaal verdwijnt.
Wanneer belandt zo'n kommetje uiteindelijk toch op de vuilnisbelt? En wanneer wordt zo'n kettinkje misschien wel versmolten, samen met nog wat ander oud, vergeten goud? Wanneer wordt je naam niet meer uitgesproken? Hoe lang duurt het tot zelfs de allermooiste momenten uit je levensloop voorgoed vergeten zijn? En zelfs het laatste flardje liefde dat je nog voelde volledig is verdampt? Wanneer blijft er niets, maar dan ook werkelijk niets meer van je over?
Het is zo'n zondag waarop ik 's avonds nog eens wat Unox balletjes opwarm. En toch maar eens kijk af dat kettinkje misschien niet zou passen bij een sobere, witte blouse.
Reageer via    






In het land der blinden - 05/06/2021

Ik krijg maar weer eens een mail ter herinnering: of ik nog aan mijn zomerbanden gedacht heb? Nee dus. Maar ik boek meteen online een afspraak en ik mag 's anderendaags al langsgaan, nog meer dan voldoende blanco tijdsblokken in het rooster. Dat verbaast me niet, op het pad naar bandenwissels hobbel ik meestal achteraan in de rij, alle anderen gingen mij al voor. Ik vergeet zo'n dingen gewoon en ik merk hoe dan ook nooit enig verschil. Mensen die aanvoelen hoe je met winterbanden meer 'grip' op de weg krijgt genieten mijn grootste bewondering, die hebben volgens mij een feilloos functionerend zesde zintuig. Ik heb het ooit gepresteerd om met een platte band onze bebouwde kom volledig te doorkruisen, en onderweg iedereen maar druk naar mij gesticuleren, maar ik was me van geen kwaad bewust. Om maar te zeggen.
Ik meld me dus aan bij mijn vertrouwde bandencentrale, stuur m'n auto het atelier binnen, geef m'n sleutels aan een stevige jongeman die zelfs op dit vroege uur al bruist van werkwilligheid en begeef me dan naar het winkeltje/annex wachtzaaltje bij de balie. Meestal lees ik daar dan in afwachting een beduimelde Story of zo, maar nu, met die Corona, valt er natuurlijk niks meer te lezen, er is nog steeds dat risico op besmetting. Maar er staan wel, tot mijn grote verbazing, fitnessapparaten in het winkeltje. Toestellen die ik niet allemaal zo meteen kan thuiswijzen, maar pal in het midden staat wel een gigantisch grote crosstrainer, met vliegwielen die volgens mij zelfs een volwassen nijlpaard kunnen dragen. Verwachten ze dat ik hier al wachtend een kwartiertje aan de cardio ga?
Ik zie dat natuurlijk fout. Na wat beter kijken blijkt het hier niet om fitnesstoestellen te gaan, maar om een indrukwekkend assortiment fietsendragers. Nieuw in het aanbod, naast nog een aanzienlijke reeks blinkende velgen.
'Zeer solide en van Zweedse makelij,' hoor ik een verkoper toelichten aan een jong echtpaar, ze staan samen vertwijfeld te kijken naar een wand waartegen nog meer fietsendragers gemonteerd zijn, gelukkig krijgen ze professionele raad. Ik luister geheel vrijblijvend doch geboeid mee, want ik had echt geen idee dat er zo'n diversiteit aan fietsendragers bestaat: rekken voor gewone fietsen, voor elektrische fietsen, dingen die je achteraan op de auto kan monteren of aan een trekhaak, maar ook gewoon boven op het dak van je wagen. Bij dat laatste kan ik me al iets meer voorstellen, mijn vader had vroeger zo'n port à bagage voor boven op de auto, heel handig als we gingen kamperen, dan werd al het tentmateriaal daar onder een plastic zeil op vastgesjord met een dikke nylonkoord. Wat er ook gebeurde, door weer en wind, wij doorkruisten Zuid-Europa met ons tijdelijk verblijf muurvast verankerd boven ons hoofd. Al is dat soort logistiek natuurlijk niet meer vergelijkbaar met die Zweedse modellen van nu. Nu spreekt met over dakkoffers en dakdragers, met een reeks unieke functies, en alles klikt moeiteloos en waterdicht in elkaar. Bij het design werd zelfs rekening gehouden met de aerodynamische en esthetische eigenschappen van je wagen. Ja, ik luister hier ook maar toevallig mee, ik verzin die dingen niet zelf.
Vooral dat esthetisch effect vindt de mevrouw van het echtpaar belangrijk. Want ze hebben twee fietsende zoontjes en de jongste heeft- je durft het amper te geloven! - een oranje fiets. Ze bloost een beetje terwijl ze dat vertelt, want die kleur was uiteraard niet de bedoeling. Er was een zwart exemplaar besteld, maar die levering liet zo lang op zich wachten en dan zijn ze van lieverlee maar voor die oranje gegaan.
"Het kan nog net," zegt ze, '"hij is pas twaalf, dus binnen een paar jaar is hij sowieso aan een nieuwe toe en dan krijgt hij wel een zwarte. Dat oogt toch wat echter."
Toekomstgericht wordt alvast ook gekozen voor een bijpassende, zwarte fietsendrager. Zo kunnen ze intussen toch al min of meer in stijl richting heuvelachtig gebied, want de jongens houden- volgens de papa dan weer- wel van een pittig parcours.
Ik bedenk dat we de dingen soms toch behoorlijk ingewikkeld durven te maken. Dat je niet gewoon zegt: kom Klaasje, hier is je mooie oranje fiets, ga maar wat peddelen, samen met je grote broer. Nee, nu moet je op zon -en feestdagen mee op verplaatsing, naar zwaarliggend terrein, met professioneel ogend materiaal aan boord. En intussen hebben hogerop in Scandinavië een paar slimme Zweedse jongens ook nog de juiste marketingstrategie toegepast op de lucratieve (ik zag de prijskaartjes!) nichemarkt van fietsendragers, dus binnen dat segment ben je dan ook nog eens de klos.
Ik denk aan de laatste keer dat ik nog eens op een fiets zat. Dat moet een jaar of vijf geleden zijn, op het zonnige Cos. Op zo'n ter plaatse gehuurd exemplaar, die dingen zijn ook altijd nét iets te hoog en te log voor mij. Een idyllisch tochtje langs het strand eindigde dan ook met geschaafde knieën op zanderige Griekse bodem. Meteen ook het einde van mijn fietscarrière. Voor een toeristisch fietstochtje in Barcelona, een jaar later, heb ik vriendelijk bedankt, ik ben toen gewoon zonder omwegen in het zand van het plaatselijke strand gaan liggen.
Anderzijds: zelf ben ik ook niet vies van wat smeuïge reclame. Tenslotte heb ik mij toch ook vlot laten overhalen tot de aanschaf van een prijzig waterdicht yogamatje, eentje dat dan ook nog eens een flink stuk langer is dan het gemiddelde aanbod bij Decathlon. Overbodige kosten, want veel groter ga ik waarschijnlijk niet meer worden en ik mediteer uiterst zelden in de gietende regen.
Als ik even later weer op zomerbanden richting Hoge Kempen rijd, stop ik onderweg nog snel bij een warme bakker. Ik wijs aangenaam verrast naar een romig aardbeientaartje, iets lekkers voor m'n jarige collega, ik weet dat ze daar gek op is. Als ik 's middags, in het grootste geheim, nog snel het taartje versier met een kaarsje zie ik dat er eigenlijk frambozen op liggen.
Ik heb het er die avond nog over met mijn dochter. Hoe ik dingen zie die er dan eigenlijk niet zijn. Fietsendragers worden zomaar fitnesstoestellen en frambozen zie ik aan voor aardbeien. En dan durf ik dikwijls nog vol overtuiging roepen 'Ik heb het toch zelf gezien zeker!' Ik vraag me af waar al die zinsbegoocheling vandaan komt. Zijn dat dan die befaamde oogkleppen, die verhinderen dat we dikwijls niet verder kijken dan onze neus lang is? Die maken dat we soms blind zijn voor het onbekende of het onverwachte? En dan maar stug blijven vasthouden aan wat vertrouwd voelt?
Moet mijn blik ruimer worden?
"Misschien kan je al eens beginnen met je brilglazen wat vaker schoon te maken," zegt mijn dochter.
Zij is altijd heel nuchter in dat soort dingen. Reageer via    






Hoerenloper - 19/06/2021



Gemiddeld één keer per week neem ik me ernstig voor om - tenzij dan beroepshalve- niets meer te posten op social media. Althans, niet meer zo uitgebreid. Hoogstens nog eens reageren met een vluchtige klik op een icoontje, zonder meer. Een hartje voor de jarigen van de dag en zo'n 'wow' bij de foto van kolossale cocktails in een hippe strandbar. Terwijl ik bij die laatste, alleen al omwille van de kleur, wel eens denk: dit lijkt me eerder chemisch gevaar, nog even en dat spul begint te roken. Vraag me om daar een voetbadje in te nemen en ik pas.
Mensen die mij kennen fronsen nu waarschijnlijk smalend de wenkbrauwen. Die weten wel beter. En die zijn al lang blij dat ik mijn vrije meningsuiting beperk tot Facebook en wat blogs en dat ik bewust niet actief ben op Twitter. Want dan was het einde nog niet in zicht! In het dagelijkse leven ben ik een zeer bedeesd mens, je zal mij zelden met gebalde vuisten op barricades zien staan, maar geef mij een toetsenbord en ik rammel gezwind volzinnen de wereld in.
Eén en ander zal wel het gevolg zijn van de criteria die lang geleden nog mijn punten op het maandelijkse schoolrapport bepaalden. Vooral in het kadertje 'gedrag, vlijt en netheid' scoorde ik wel eens minder goed. Want 'goed gedrag en wellevendheid' was destijds min of meer het equivalent van 'zwijgen en luisteren'. Of in elk geval doen alsof je gedwee ja knikte. En daar had ik het moeilijk mee. Op oudercontacten werd het begrip ' lange tong' wel eens wat uitgebreider toegelicht. "'t is een echt spinneke," verduidelijkte Zuster Eduarda- van -het- tweede- leerjaar toen mijn ouders toch enigszins verwonderd keken. Terwijl de brave Zuster, zich op haar beurt waarschijnlijk ook van geen kwaad bewust, dan weer met de bijnaam 'Duvelke' door het leven ging. Zo zie je soms maar.
Maar dat van die spin deed me alleszins wat vaker op die lange tong bijten. Met uiteraard nog wat beschamende uitschieters in mijn puberjaren, maar die krijg je hoe dan ook standaard mee in het groeipakket. Vroeg of laat kom je er dan vanzelf wel achter dat luid protesteren tegen luchtvervuiling best wel een milieuvriendelijk initiatief is, maar dat je maar pover overtuigt als je zelf blauwe wolkjes van sigarettenrook zit te blazen. En gaandeweg leer je ook dat het geen kwaad kan om af en toe ook eens gewoon met aandacht te luisteren naar je tegenpolen, zonder meteen tot hoogoplopende discussies over te gaan. Al bij al kwam het in de loop der jaren dus nog redelijk goed, ik leerde wat te temperen.
Maar als het echt te schraal werd schreef ik de grootste frustraties van mij af. Een vorm van therapie die ik ten zeerste kan aanbevelen: je maakt, soms zelfs met één enkele verbeten pennentrek, zelfs je meest geduchte tegenstander monddood. En vervolgens scheur je dat groot gelijk gewoon in duizend stukjes. Klaar. Niemand die er verder nog last van heeft en je hebt het toch maar eens ferm gezegd.
Tenzij je zo'n hersenspinsels natuurlijk online gooit. Want dan dwalen je woorden nog levenslang doorheen de krochten van het internet. En reacties blijven ook niet altijd uit. Soms zijn dat heel leuke replies en soms vlagen van stevige tegenwind. Maar ik kan wel tegen een stootje, zolang het maar beleefd blijft. Want soms besef je dan toch weer: tiens, zo had ik het nog niet bekeken, zo kan het dus ook. Het zijn lang niet altijd de gelijkgezinden die gelijk hebben.
Alleen, soms komen er echt wel zeer bizarre replieken. Totaal naast de kwestie en van een soort onbeschoftheid die je doet twijfelen tussen is dit nu dom of grappig. Zoals laatst van die boze, mij totaal onbekende meneer die het blijkbaar niet eens was met één van mijn bedenkingen. Hij knalde me - op een ontiegelijk laat uur, ik was zelfs al halvelings vergeten waarover het ging- finaal af via Messenger. Hij stuurde een eerder moeilijk te ontcijferen boodschap, met als eindconclusie: gij zijt een egte hoerreloper. De link met al dan niet vaccineren ontging me volledig.
Het stemde even tot nadenken. Misschien is dit bedoeld voor iemand anders, hoopte ik nog. Of misschien bedoelt hij gewoon dat ik een meeloper ben. Of misschien heeft hij gewoon te veel gedronken.
Ik heb maar niet meer gereageerd.
Ik denk trouwens niet dat zo'n mens dan zit te wachten op stevige tegenargumenten. Laat staan dat je hem ook nog beleefd zou wijzen op een paar jammerlijke taalfouten.
Dus ik dacht: gooi het gewoon in een blogje. Dan heb je 't ook nog eens ferm gezegd. Iedereen content.
*PIC: het prille begin
Reageer via    






Oscar - 24/06/2021

Het is dinsdagavond en het was, naar aloude gewoonte in de uitzendsector, waarschijnlijk weer veruit de drukste dag van de week. De dag dat alles en iedereen weer op volle kruissnelheid komt, na een soms wat haperende start op maandag. We verdrinken in de vragen naar extra werkkrachten, liefst ad hoc. Mijn collega en ik sluiten dus af, een dik uur later dan bedoeld en lichtjes afgepeigerd. In mijn geval staan mijn haren dan ook nog altijd paraplu en dat wordt er met de jaren echt niet fraaier op. Dat zijn zo van die momenten dat ik me wel eens afvraag waarom ik die job eigenlijk zo graag doe. Het zal wel iets met voldoening te maken hebben.
Terwijl ik met verwilderd kapsel naar mijn auto stap zie ik drie gemiste oproepen op mijn gsm, alle drie van de dochter en vlak na elkaar. Niet van haar gewoonte, meestal stuurt ze een berichtje als ze me dringend nodig heeft: moeder, neem je telefoon eens op!
Ik bel haar terug en hoor meteen dat er iets niet in de haak is, alleen al die manier waarop ze 'Hey mam' zegt, dof en gelaten.
"Ik heb Oscar gevonden," zegt ze, 'hij is dood."
En dan stopt die haastige wereld van daarnet alsnog even met draaien. Want dit moet ik even in tijdloze stilte kunnen bevatten: Oscar, dood. We moesten nog niet zo lang geleden al afscheid nemen van zijn spitsbroeder, Winston. En heel eerlijk: dat was een harde noot om te kraken, al ben ik dan niet meteen de grootste dierenvriend.
"Ik was even naar de winkel," zegt de dochter, snikkend, "en toen ik weer thuis kwam lag hij in de living. Al helemaal koud en stijf. En ik voel me zo schuldig, misschien had ik nog iets kunnen doen."
Al moet ik dat laatste meteen met klem tegenspreken, Oscar was altijd al een krakende kar, en die lopen meestal wel het langst, maar daarom nog niet eeuwig. Dit had niemand kunnen voorzien, laat staan voorkomen.
"Je hebt voor hem altijd alles gedaan wat kon en zelfs veel, veel meer," zeg ik.
Het klinkt knullig, maar het is wel de waarheid. Want Oscar kende, jaren geleden, wat ze noemen een 'klein gelukje': mijn dochter en schoonzoon kruisten zijn pad. Hij was gedumpt bij de dierenarts, nadat zijn vijfde baasje op rij er de brui aan had gegeven, de hond werd definitief geklasseerd als onhandelbaar. Een soort van zorgenkind, met al een rits aan pleeggezinnen op zijn cv. Iedereen begon er aan met de beste bedoelingen, maar het wou maar niet lukken.
Maar de dierenarts zag hoe mijn dochter vooruitgang boekte met haar Basset Hound, Winston. Ook niet het meest welgemanierde dier ter wereld, maar hij kende in elk geval zijn naam, al bij al toch een puike prestatie binnen Bassetkringen. Misschien zou haar aanpak bij Oscar ook lukken? Die hond nog een laatste kans geven misschien? Wat dacht ze er van? De dochter dacht eigenlijk helemaal niet, maar zei gewoon meteen ja, laat maar komen, die gestoorde outlet. De schoonzoon twijfelde nog even, maar sloot dan toch ook, vaak zelfs letterlijk en met volle overtuiging, Oscar in de armen. Oscar werd al snel zijn 'Ossie Bossie'.
"Dan komt hij thuis van werken," vertelde de dochter soms, lichtjes verontwaardigd, "en dan knuffelt hij eerst uitgebreid zijn Ossie Bossie. En daarna zwaait hij even naar mij."
Maar zo vond Oscar dan toch, na tal van omzwervingen, zijn ware nest. Hij werd niet alleen de grote adoptiebroer van Winston, maar toonde zelfs gelijkenissen, ze kenden tenslotte dezelfde roots. Alleen werden bij Oscar alle Basset trekjes nog wat uitvergroot. Winston was een beetje dom, maar had dan toch nog dat hautaine, soms zelfs nukkige kantje. Oscar was gewoon onverschrokken stout. Een vuile schavuit ook. Denk aan het woord ' gortig', maar dan in het kwadraat. Hij wentelde zich in paardenmest en modder, kwijlde, markeerde zijn terrein met grote drollen op de gekste plaatsen. Hij plunderde keukenkasten, vuilniszakken, wasmanden en kende ook al snel de weg naar de feestzalen van een gerenommeerde traiteurzaak in de buurt. En trok zich vooral geen hol aan van mogelijke represailles.
Maar het werkte, voor alle partijen. Oscar werd binnen de kortste keren het koddigste schorem van het erf. Hij verkende alle windstreken, samen met Winston, gezapig hobbelend en zij aan zij, maar ze gunden elkaar daarbij amper een blik. Hij maakte kennis met de paarden en aanvaardde onverschillig nog een paar varkens en stalkatten als nieuwe leden van het roedel.
Zijn voornaamste doelstelling in dit aardse bestaan bleef wel: eten, en liefst overmatig. Hij plunderde de groentetuin, at tomaten en komkommers rechtstreeks van de struik. Maar hij likte met even veel overtuiging een - god zij dank afgekoelde!- frietketel leeg. Oscar vrat gewoon alles, bliksemsnel, ook bieten en witloofwortels, indien nodig had hij de strengste winters kunnen overleven als verstokte vegetariër. Er was ook nog het verhaal van de bouillonblokjes: hij maakte eens, binnen het krappe tijdsbestek van een kwartiertje onoplettendheid, zo'n grote doos Liebig kippenblokjes soldaat, de goudkleurige papiertjes inbegrepen, die vonden we later terug in glinsterende hoopjes onder de struiken. Paardenmest stond wel met stip op 1 in zijn dagelijks dieet, maar dat schijnt wel vaker voor te komen bij hongerige honden op den buiten.
Hij sukkelde ook regelmatig de lappenmand in. Pancreatitis, lekkende hartkleppen, vage maagklachten, alle aandoeningen passeerden de revue. We vroegen ons wel eens af of dat ook niet leidde tot lichte depressies, want hij ondernam meerdere zelfmoordpogingen. Hij opende geheel eigenpotig ( zeg je dat zo?) een raam op de eerste verdieping en sprong zonder aarzelen in het diepe. Hij was trouwens een meester in ontsnappingspogingen, hij kraakte de code van elke ordinaire deurklink, hek of afspanning. Hij plunderde de voorraadkast in de zadelkamer van de paarden en vrat zich een maagtorsie aan een grote zak goed verstopte hondenbrokken. Hij zweefde toen op het randje van de dood en was enkel nog te redden met een spoedoperatie en alweer een nachtje recovery in de dierenkliniek. Maar hij herstelde altijd even voorspoedig, ook bij die maagdilatatie. Toen de dochter 's anderendaags belde om te vragen of Oscar de nacht gezond en wel was doorgekomen zei de dierenarts: komt helemaal goed, hij heeft vanmorgen al flink gegeten.
Een hond met suïcidale neigingen, maar gelukkig ook met negen levens op de teller. Een tiende werd hem helaas niet meer gegund. Dus dit keer blijven wij in verstomming achter, Oscar is er echt niet meer.
Maar omdat wij mensen nu eenmaal niet vies zijn van wat zelfbedrog creëren wij nog snel een zelfverzonnen hondenhemel, ergens heel ver over de regenboogbrug.
"Ga daar nu maar fijn spelen, samen met Winston," zeggen we dan, bij wijze van afscheid, maar uiteindelijk vooral om onszelf te troosten.
Ik stel het me dan zo voor, hoe die twee elkaar daarboven terug tegen komen.
De ene die zegt: "Zo, daar ben je dan."
En dan de andere: "Yep."
Meer woorden gaan die daar volgens mij niet aan vuil maken.
Maar wij, hier beneden, zullen nooit uitgepraat raken over al hun schelmenstreken. En Winston zat al voor eeuwig in onze harten, maar er is gelukkig nog plaats voor een schobbejakje meer.
Dus kom er maar bij, Oscar. Lieve jongen.

Reageer via